Kinderliedje · 4–10 jaar
De Korenaren wiegen
Verbergt het menu, de afbeelding en extra informatie.

De korenaren wiegen
In slaap de kleine vliegen;
De lieve zon verdwijnt,
Terwijl door ’t avonddonker
Met stil en zoet geflonker
De bleeke maan verschijnt.
De Krekel laat zich hooren,
En moeder gaat langs ’t koren;
Met blijdschap op ’t gezicht;
Ze draagt den kleinsten jongen,
Die, mat en moê gesprongen,
Thans in hare armen ligt.
Hij schreit de kleine bengel.
Ze kust hem en zegt, engel!
Hij lacht, ze kust hem weer;
Zoo werd ik eens gedragen…
Ha, werd ik nog gedragen!
Zij lacht… hij kust haar weer.
Maar ’k ben een groote jongen,
Ik ben niet moê gesprongen.
En moeder zegt: mijn Jan
Zal nooit van moeite klagen;
Hij kan zijn broerken dragen
Zoo goed, als ik het kan.
Nu, met dat korenwiegen
Dien krekelzang, die vliegen
Heb ik niets meer gemeens….
Maar, moeder, ’k moet iets vragen…
Ach, moet ge mij niet dragen,
Toe, kus mij toch nog ééns!
Bewegen bij dit lied
- Zing rustig en maak de laatste regels steeds zachter.
- Wieg met het bovenlichaam langzaam mee.
Over deze variant
- De volledige tekstvariant uit 1879 is gevolgd; historische Vlaamse spelling en woordkeus zijn behouden waar modernisering het ritme of de betekenis kon veranderen.
Gecontroleerd op 6-8-2026
Bron en rechten
Deze volledige kinderliedtekst komt uit de auteursrechtvrije bundel van Emanuel Hiel uit 1879. De editie verwijst voor zangwijzen naar historische liedverzamelingen; er wordt hier geen moderne melodie geclaimd.
- Tekst
- Emanuel Hiel (1834–1899)
- Melodie
- Geen vaste melodie in deze teksteditie; historische zangwijzen staan in het bronregister
- Status
- Geverifieerd publiek domein
- Tekst: Hiel, Liederen voor groote en kleine kinderen (1879), lied 121
- Tekst- en melodievarianten zoeken in de Nederlandse Liederenbank
Zie je een fout? Mail correcties@kinderliedjesteksten.nl.
Ook leuk